Doctoraat Hanne Verbelen

Saturday, May 2, 2020

Op 30 april 2020 verdedigde Hanne Verbelen (REVAKI-MOVANT, UAntwerpen) met succes haar doctoraat met titel “Arm, shoulder and breast morbidity after breast cancer treatment”. Dit doctoraat kwam tot stand onder promotorschap van prof. dr. Wiebren Tjalma (UZA-UAntwerpen) en prof. dr. Nick Gebruers (UAntwerpen).

Borstkanker is de meest voorkomende vorm van kanker bij vrouwen in de westerse wereld. De behandeling van borstkanker is drastisch veranderd door minder invasieve chirurgische technieken. Momenteel wordt het merendeel van de patiënten behandeld met een sentinelprocedure (SLNB) en/of borstsparende chirurgie (BCS). Het is te verwachten dat de minder invasieve SLNB en BCS, vergeleken met de okseluitruiming (ALND) en mastectomie, resulteren in aanzienlijk minder arm-, schouder- en borstmorbiditeit.

Het algemene doel van dit doctoraatsproject was om inzicht te krijgen in de morbiditeit na de behandeling van borstkanker met een sentinelprocedure (SLNB) en/of borstsparende chirurgie (BCS).

 

Ten eerste, arm- en schouderklachten bij sentinelnegatieve patiënten waren bewegingsbeperking van de schouder, krachtsverlies, pijn, axillair websyndroom, scapula alata, sensorische stoornissen en lymfoedeem. Binnen de eerste maand na SLNB waren de morbiditeiten met de hoogste incidentie verminderde abductie (range: 40,8% -100%) en anteflexie van de schouder (range: 37% -100%), pijn (range: 3,4% -56,6%) en hypo-esthesieën in de okselregio (range: 2% -64%). Morbiditeiten met de hoogste incidentie na 2 jaar waren pijn (range: 5,6%-51,1%), hypo-esthesieën (range: 5,1% -51,1%), krachtsverlies (range: 0% -57,7%), verminderde endorotatie (44,4%) en verminderde abductie (range: 0% -41,4%). De totale incidentie van lymfoedeem van de arm bij sentinelnegatieve patiënten met borstkanker varieerde van 0% tot 63,4%.

Op basis van deze systematische reviews is gebleken dat literatuur over morbiditeit op lange termijn schaars is. Daarom werd in dit proefschrift de morbiditeit op lange termijn onderzocht bij sentinelnegatieve patiënten. Na een gemiddelde follow-up van 55,5 maanden (range 25-86 maanden) was de prevalentie van arm- en schouderklachten 25,8% voor pijn, 12,0% voor hypo-esthesieën, 6,4% voor paresthesieën, 7,1% voor lymfoedeem, 8,0% voor axillair websyndroom, 26,2% voor krachtverlies en 19,5% voor bewegingsbeperking. De activiteitsbeperkingen met de hoogste prevalentie zijn het aandoen van een beha (58,7%), aankleden (57,9%), het dragen van een beha (50,8%), slapen (50,0%), sporten (48,4%) en autorijden (35,7%). Deze studie toont aan dat een aanzienlijk aandeel patiënten nog steeds last heeft van arm- of schouderklachten, maanden en zelfs jaren na hun behandeling van kanker, wat een impact heeft op de activiteiten van het dagelijks leven.

 

Ten tweede, Borstoedeem is vaak ondergediagnosticeerd en een belangrijk deel van dit doctoraat richtte zich op de incidentie en risicofactoren van borstoedeem na BCS en radiotherapie.

Een grote variatie in de incidentie van borstoedeem (0% -90,4%) werd waargenomen in de literatuur. Verder werden verschillende mogelijke risicofactoren voor borstoedeem geïdentificeerd, namelijk toenemend bestraald borstvolume, toenemend boostvolume, het gebruik van een fotonboost, een grotere afstand tussen de punten waarbinnen de stralen het lichaam binnentreden, een hogere densiteit van het borstweefsel, een grote tumor, een hoger specimengewicht, postoperatieve infectie, acute postoperatieve toxiciteit en diabetes mellitus. Deze resultaten waren echter in de literatuur vaak tegenstrijdig en daarom blijft hun prognostische waarde onzeker. Momenteel bestaat er geen consensus over de definitie van borstoedeem en over een gestandaardiseerde meetmethode. De ontwikkeling van een gestandaardiseerd meetinstrument voor de vroege opsporing van borstoedeem is nodig om een adequate behandeling te kunnen instellen.

Voor de klinische praktijk is een gebruiksvriendelijke vragenlijst voor de diagnose van borstoedeem een waardevolle aanvulling op de huidige, dure en tijdrovende onderzoeken zoals bijvoorbeeld echografie. Daarom was het doel een vragenlijst te ontwikkelen om borstoedeem te beoordelen en de klinimetrische eigenschappen ervan te bepalen. De borstoedeemvragenlijs (BrEQ) is ontwikkeld op basis van informatie uit literatuur en van experten en patiënten met borstoedeem. Inhoudsvaliditeit, constructvaliditeit, test-hertestbetrouwbaarheid, interne consistentie en cut-off (9/80) werden onderzocht in een groep borstkankerpatiënten.

De convergente validiteit werd getest door de BrEQ te correleren met de huiddikte gemeten met echografie. In deel 1 van de BrEQ werden de symptomen van borstoedeem gescoord van 0 tot 10: pijn, zwaartegevoel, zwelling, gespannen huid, roodheid, pitting, vergrote huidporiën en hardheid van de borst. Rekening houdend met het ICF, werden verschillende activiteitsbeperkingen en participatieproblemen gescoord van 0 tot 10 in deel 2. Op basis van deze studie kunnen we concluderen dat deel 1 van de Nederlandstalige BrEQ een valide en betrouwbaar meetinstrument is voor het meten van borstoedeem. Literatuur over het longitudinale verloop van borstoedeem bij patiënten met borstkanker is schaars.

 

Ten derde, de prognostische waarde van persoonlijke factoren zoals BMI, cupmaat en menopauzale status en medische factoren zoals het type axillaire chirurgie, nabehandeling en bestralingsparameters is onzeker. Daarom werd het longitudinale verloop van borstoedeem na BCS en radiotherapie onderzocht en de prognostische factoren geïdentificeerd. Er is aangetoond dat na de BCS en voor de radiotherapie, 55,7% van de patiënten borstoedeem had. Na het beëindigen van de radiotherapie, steeg de prevalentie naar 63,9%. In de daaropvolgende maanden, daalde de prevalentie naar 53,6% drie maanden post-radiotherapie en naar 50,9% zes maanden postradiotherapie. Klinisch is de boodschap om patiënten op te volgen met de BrEQ en patiënten waarbij de score niet daalt na 6 maanden na het beëindigen van de radiotherapie een aangepaste behandeling krijgen van hun borstoedeem.

Slechts enkele prognostische factoren konden worden geïdentificeerd, zoals: jongere leeftijd, de afwezigheid van bestraling van de lymfeknopen en een korter tijdsinterval tussen BCS en radiotherapie werden geassocieerd met de aanwezigheid van borstoedeem.

 

 

U vindt een beschrijving van ons privacybeleid en het gebruik van cookies op deze pagina.

Ik accepteer